AFM constateert weinig kennis van waardeoverdracht pensioen
Werknemers die van baan wisselen baseren hun beslissing om wel of geen waardeoverdracht plaats te laten vinden meestal niet op inhoudelijke argumenten.
Dat blijkt uit onderzoek dat de AFM heeft laten uitvoeren door onderzoeksbureau GfK Panelservices.

Bij het wisselen van baan heeft een werknemer het recht om zijn pensioenaanspraken mee te nemen naar de nieuwe pensioenuitvoerder. Het al dan niet meenemen van het opgebouwde pensioen is een beslissing die van grote invloed kan zijn op de uiteindelijke hoogte van de te bereiken pensioenaanspraak, afhankelijk van de verschillen tussen de pensioenregelingen. Of het verstandig is om waardeoverdracht te laten plaatsvinden, is afhankelijk van meerdere factoren. Zo kunnen de oude en de nieuwe pensioenregeling van elkaar verschillen (bijvoorbeeld een middelloonregeling of een beschikbare premieregeling). Ook verschilt het beleid bij het waardevast of welvaartsvast houden van de pensioenaanspraken. Bovendien is de persoonlijke situatie een bepalende factor bij deze keuze.

Overzicht
De belangrijkste reden van een werknemer om het pensioen mee te nemen naar het nieuwe pensioenfonds of naar de nieuwe pensioenverzekeraar, is het overzicht dat de werknemer heeft wanneer alle pensioenaanspraken bij één pensioenuitvoerder zijn ondergebracht. Ruim driekwart van de ondervraagde baanwisselaars die kiezen voor waardeoverdracht, doet dit vooral vanuit deze praktische overweging.

Ook de werknemers die ervoor kiezen om geen waardeoverdracht te plegen, doen dit zelden op basis van de kwaliteit van de pensioenregeling. De helft is helemaal niet bezig geweest met waardeoverdracht of kan het zich zelfs niet meer herinneren. Anderen (11%) gaven aan de aanspraak te laten staan vanwege de vertrouwde naam van de voormalige pensioenuitvoerder. 

Bron: AFM


(22-08-2008)